Mongolië stond al lang op onze wensenlijst om te bezoeken. Maar we hadden gedacht dat het er nooit van zou komen. Door onze tijd in China werd het ineens een stuk behapbaarder! Dus na flink wat uitzoekwerk zijn we uiteindelijk via Facebook in contact gekomen met onze tourguide Ollzzii.
Zo planden we begin mei een 3-weekse rondreis naar het noorden en zuiden van Mongolië. Vooraf wisten we al dat de afstanden in Mongolië groot zijn en gedurende de vakantie hebben we meer dan 3000 kilomer afgelegd. Van de circa 12.000 kilometer aan “wegen” in het land is slechts zo’n 1700 kilometer geasfalteerd. De rest bestaat uit gravel (1500 km), zandwegen (1300 km) en simpelweg zandweggetjes en steppewegen (7500 km). Waarvan de wegen in het noorden en westen het meest bumpy zijn. In het zuiden en oosten is dit minder door de steppe.
Voor mij (Lieven) was het stiekem ook eens lekker om niet alles van A tot Z helemaal uit te willen of moeten zoeken voor de vakantie. De reis begon met het ontmoeten van onze gids en chauffeur (Odgo of makkelijker Oggie), waar we uiteindelijk heel blij mee waren: twee gezellige mannen, waarvan onze gids erg goed Engels sprak.
We begonnen onze reis in de hoofdstad Ulaanbataar en vertrokken vanaf hier naar het noorden van Mongolië – het gebied waar Ollzzii zelf vandaan komt. Onze eerste stop was het Amarbayasgalant klooster, waar we onze eerste nacht doorbrachten. Hier maakten we meteen kennis met de Mongoolse gastvrijheid: we verbleven in een lokaal guesthouse, werden uitgenodigd op de (zoute melk) thee bij de eigenaresse en konden ’s avonds mee-eten. Het was ook onze eerste nacht in een yurt, de eerste van vele. Én kregen we hier al door hoe back-to-basic deze reis zou gaan worden. Weinig mogelijkheden tot douchen (of überhaupt het hebben van stromend water) en wc’s zijn vaak niet meer dan een gat in de grond en met geluk wel een dak boven je hoofd.





De volgende dag reden we verder naar het Khövsgölmeer. Eenmaal aangekomen waren we verbaasd: het grootste gedeelte van het meer was nog bevroren! In de winter is het zelfs volledig dichtgevroren en wordt er van alles georganiseerd, zoals hondensleeritten. Wij kregen de kans om het meer van bovenaf te bekijken. In eerste instantie dachten we dat we naar boven zouden hiken, maar waarom lopen als je ook een goede auto hebt waarmee je omhoog kunt? De trip naar boven past prima in het programma “de gevaarlijkste wegen van de wereld”. Maar eenmaal boven viel de wandel inspanning dus enorm mee en wachtte ons een prachtig uitzicht.








Daarna stond onze eerste flinke offroad-rit op de planning. Een flinke sneeuwstorm (20-30 cm) maakte het er niet makkelijker op, maar wél extra bijzonder. Onderweg kwamen we een vader met twee zonen op een scooter tegen die naar school gebracht moesten worden. Omdat wij nog wat plek in de auto hadden, namen we ze mee – toch wel een stuk comfortabeler in de warmte. De meeste nomadenkinderen gaan naar een soort kostschool, waar ze doordeweeks blijven en alleen af en toe in het weekend of tijdens vakanties naar huis gaan omdat ze vaak ver van de scholen af wonen en de wegen dus slecht begaanbaar zijn.







Na deze rit kwamen we aan in Tsagaannuur, bij de ouders van Ulzii. Hier konden we een heerlijke douche nemen – dat was alweer even geleden. Hiervoor moesten we wel eerst zelf even aan het werk om water te halen in het meer verderop en dit daarna te verwarmen boven een vuurtje. Op de meeste plekken buiten de stad hebben mensen namelijk geen stromend water, omdat dat erg duur is en het in de winter extreem koud wordt.

Na dit bezoek was het tijd voor één van onze hoogtepunten van de trip: op naar de rendierherders! Dat vergde nog een flinke onderneming: eerst een hobbelige autorit, gevolgd door vier uur paardrijden. De paarden werden bij elkaar verzameld en we konden vertrekken. Voor ons allebei was dit de eerste keer paardrijden en dat was best spannend, zeker omdat het halfwilde paarden zijn die als er niet gereden hoeft te worden vrij rondlopen. Gelukkig werden we allebei aan een lijn gehouden; dat voelde veiliger. Onze billen hadden het er zwaar mee, haha, maar we genoten volop.
Eenmaal aangekomen werden we ontvangen met warme melkthee van rendiermelk, en konden we onze rugzak kwijt in de tipi. Deze tipi was normaal gesproken een opslagplek, maar was speciaal voor ons leeggemaakt. Luxe was er niet: het was een doek over houten palen, bosgrond en een bed van vers gezaagd hout met daarover een deken wat als matras diende. Gelukkig stond er wel een houtkachel waarmee we de ruimte voor het slapen nog wat konden opwarmen.






Toen we die avond naar bed wilden gaan, vertelde het gastgezin dat er iets bijzonders stond te gebeuren: een rendier ging bevallen. Of we erbij wilden zijn? Natuurlijk! Zelfs onze gids had dit – na al zijn bezoeken – nog nooit meegemaakt. Het gastgezin was trots dat wij dit mee konden maken. De volgende dag liep het kleintje al vrolijk rond en mochten we het zelfs even optillen, onwijs lief en zacht!


We kregen ook de kans om op een rendier te rijden. Dat is toch echt anders dan een paard, omdat de huid van een rendier op en neer beweegt. Daardoor moet je continu je balans houden. Verder mochten we meekijken met het dagelijks leven van de rendierherders. De rendierherders wonen met meerdere gezinnen in de buurt van elkaar en verzorgen de dieren samen. Elke ochtend rond 10:00 laten ze de rendieren los. Ze binden dan wel een voor- en achterpoot aan elkaar zodat ze niet hard kunnen rennen, maar de dieren mogen vrij de bergen in. Twee herders volgen de groep om ze aan het eind van de dag weer terug te brengen. Aan het einde van de middag worden de rendieren weer verzameld en in een hek gezet. Dit is ter bescherming tegen bijvoorbeeld wolven. Elk gezin heeft minstens twee honden die ’s nachts blaffen om roofdieren op afstand te houden.

Het was bijzonder om dit leven even mee te maken. Wij waren er drie dagen, maar we vroegen ons af hoe het zou zijn om hier je hele leven te wonen. Geen bereik, geen stromend water, elektriciteit voor een lampje via een klein zonnepaneel en accu. En dan vooral de kou! Wij vonden het al koud bij -10°C in de nacht en 0–5°C overdag, maar in de winter kan het dalen tot -45°C. Brrrrr. En daarbij komt ook nog kijken dat de gezinnen 6 tot 8 keer per jaar verplaatsen. Dit doen ze om zo steeds de beste plek te hebben voor de rendieren, zodat het in de winter niet te koud is en in de zomer niet te warm.
Na opnieuw vier uur te paard en een offroad-rit kwamen we weer terug bij de ouders van Ulzii. En na een comfortabele nacht was het tijd om onze reis voort te zetten: op naar het zuiden van Mongolië.


Geef een reactie op Rian Reactie annuleren